De jeugdtrainers die Simon Mignolet tot wereldkeeper kneedden

YBRO Sports Writing
  •  Zaterdag 25 oktober 2014 om 14:52   •  Maart 2015   •  Standpunt

“1:1 is hij de allerbeste, maar aan zijn traptechniek hebben we veel werk gehad”

Simon Mignolet werd als dertienjarige veldspeler afgekeurd en doorgestuurd bij STVV. Bij provincialer Sporting Aalst werd de jonge Limburger in doel gedropt, en dat bleek al snel een goede zet van toenmalig keeperstrainer Rudy Vanrusselt. STVV haalde hem prompt terug naar Stayen, waar eerst Christian Wijnrocx en later Eddy Raymaekers deze ruwe diamant verder afwerkten. “Simon is momenteel Europese top”, beseffen de jeugdtrainers van de Liverpool-doelman.

(Photo News, Simon Mignolet)

 

Simon Mignolet is een absolute topper. De 26-jarige Limburger staat voor het tweede seizoen onder de lat bij Liverpool, een van de titelpretendenten in de prestigieuze Premier League. “Toch leek hij als jeugdspeler niet meteen voorbestemd voor een carrière als topdoelman”, vertelt Rudy Vanrusselt. “Simon was op zijn dertiende in volle groei en sukkelde met de rug. De boodschap is dan: minder intrinsiek trainen, even gas terugnemen. Hij was al een stuk groter dan de rest van zijn leeftijdsgenoten, maar hij was niet snel en had ook geen goede trap.

Daarom posteerden we hem bij Sporting Aalst onder de lat. Door zijn soepelheid kon hij wel snel tegen de grond gaan – zeker gezien zijn gestalte, maar op technisch vlak was er nog veel werk aan. Dat vallen hebben we verder aangescherpt met een eenvoudige trainingsvorm waarbij de trainer de bal naast de keeper trapt. De keeper moet altijd eerst een stapje naar voren zetten en dan pas een of twee stappen zijwaarts, zodat de hoek al meteen verkleind wordt. Ga je naar links duiken, dan zet je ook eerst je linkervoet. [OEFENVORM1] In een volgende fase kan je dan leren zweven, maar dat was toen nog te vroeg voor Simon.”

Oefenvorm 1: trainen van de valbeweging.

 

Basishouding

“Bij Aalst konden we de tijd nemen om daaraan te werken, iets wat bij STVV nooit gelukt was. Op nationaal niveau moet er ook dan al gepresteerd worden. Door zijn intelligentie pikte hij de dingen die we hem aanleerden meteen op, waardoor hij snel progressie maakte. Dat getuigt toch wel van talent. Hij kon het spel ook goed lezen, een gave. Elke week trainden we één keer anderhalf uur lang apart. Het begon met positiespel en de bal klemmen. Bij dat laatste is het vooral belangrijk dat je als keeper met je armen opengedraaid en je handpalmen naar boven staat. Op die manier kan je de bal sneller klemmen omdat je die voorafgaande beweging al niet meer hoeft te maken. Daarnaast moet je bij een bal recht op je lichaam de ellebogen altijd naar binnen houden.”

“Zeker in de provinciale jeugdreeksen zie je heel veel verkeerde bewegingen bij doelmannen. Sommigen staan met hun armen naar achter, terwijl je in dat geval net een extra beweging moet maken om de bal te kunnen pakken. Velen houden hun ellebogen tegen het lichaam, terwijl ze zich net ietsje verder van het lichaam moeten bevinden om snel de volgende beweging te kunnen inzetten. Als keeper moet je om dezelfde reden ook altijd lichtjes door de benen buigen en op de voorkant van je voeten steunen, zodat je sneller kan reageren als je  een save moet maken of moet uitkomen. Die zaken hebben we Simon aangeleerd, maar ze vragen heel veel coaching. De enige manier om dit een keeper bij te brengen, is voortdurend herhalen.”

 

(Photo News, Simon Mignolet)

Rudy Vanrusselt: “Als keeper moet je altijd lichtjes door de benen buigen en op de voorkant van je voeten steunen, zodat je sneller kan reageren als je een save moet maken of moet uitkomen. Die zaken hebben we Simon aangeleerd, maar ze vragen heel veel coaching.”

 

Positie

Rudy Vanrusselt: “De positie in doel is cruciaal. Veel keepers staan in het midden van hun doel, terwijl je net moet meedraaien met het spel. In principe is dit makkelijk trainbaar. Als trainer schiet je een hele reeks ballen op doel vanuit één bepaalde positie. Vanaf die positie vertrekken er twee witte elastieken naar de doelpalen. De keeper moet er bij het uitkomen voor zorgen dat de twee elastieken langs beide kanten even ver van hem verwijderd blijven. Hij komt steeds uit tot op een bepaald punt: de plek waar hij zijn hoek volledig kan afschermen met een duik. Als je op de doellijn blijft staan, heb je geen schijn van kans omdat je dan nooit op tijd in je hoeken geraakt. [OEFENVORM 2A en 2B] Het accuraat inschatten van die afstanden is een belangrijke stap in het leerproces van een goede doelman.”

Oefenvorm 2A en 2B: positie leren kiezen.

 

“Simon is altijd een enorme doorzetter geweest. Hij gaf nooit op. In het begin geraakte hij als doelman nauwelijks van de grond. Als keeper moet je de bal proberen te pakken op zijn hoogste punt. Veel doelmannen gaan iets te snel de lucht in, waardoor ze al aan het zakken zijn wanneer ze de bal klemmen of wegboksen. Timing is dus cruciaal, en ook dat leer je alleen door er veel op te trainen. Bij Simons springoefeningen gebruikte ik een PVC-buis waarmee ik continu onder zijn benen maaide. Geraakte hij niet hoog genoeg, dan kreeg hij ze vol op zijn enkels. Meer dan eens sloegen die na een training blauw uit, maar Simon trok zich dat niet aan. Hij bleef maar gaan. Die mentaliteit heb je wel nodig om het niveau te bereiken waarop hij nu zit. Om zijn uitvallen te verbeteren, gebruikten we volgende oefening. Drie spelers of trainers trappen achtereenvolgens een bal naar de keeper. De eerste in de hoek, de tweede een metertje verder, zodat hij meteen de tweede bal kan pakken, en de derde in de andere hoek, zodat de keeper snel recht moet komen, terugdraaien, sprinten en opnieuw moet duiken.” [OEFENVORM 3] 

 

Oefenvorm 3: trainen van het uitvallen.

 

Snelheid van uitvoering

Christian Wijnrocx: “Ik heb Simon getraind bij de U14, U15, U16 en heel even bij de U17, maar toen werd hij al snel doorgeschoven naar het eerste elftal. Zijn doeltrap was een van zijn voornaamste werkpunten, herinner ik me. Technisch was hij ook geen kraan – in tegenstelling tot nu, maar hij pakte wel heel veel ballen. Zijn reikwijdte leverde hem een enorm voordeel op. Daar kan je nauwelijks op trainen, dat heb je al dan niet van nature uit. Ook aan het verder perfectioneren van het uitvallen heb ik samen met hem veel gewerkt. Hij pikte de dingen snel op, je zag hem gestaag groeien. Al had ik natuurlijk niet verwacht dat hij later bij een Europese topclub zou spelen.”

“Om de volgende stap te zetten, moest hij sneller gaan handelen. Snelheid van uitvoering kan je verbeteren door veel op korte ruimtes te trainen en weinig tijd te geven om ballen te pakken. Met Simon deed ik geregeld volgende oefenvorm. Ik liep met de bal aan de voet in en speelde hem vanop een bepaalde afstand aan, waarna hij tijd kreeg om een verdediger op de buitenkant van het zestienmetergebied aan te spelen. Naast mij stonden twee aanvallers die meteen druk gingen zetten zodra ik de pass had gegeven. Hoe langer we dit trainden, hoe langer ik liep met de bal en hoe later ik dus passte, waardoor Simon steeds minder tijd kreeg om die verdediger te zoeken. De balcontrole en de passing moesten meteen goed zijn. [OEFENVORM 4] Bovendien moet je als keeper snel kiezen welke kant je best opzoekt, in functie van waar de druk het minst groot is. Je kan er als trainer ook voor opteren om een aanvaller een bepaalde kant te laten afdekken, zonder dat je keeper vooraf weet welke kant het zal zijn. Zo leer je hem sneller de juiste keuzes maken.”

Oefenvorm 4: snel en accuraat uitverdedigen.

 

“Ik trainde Simon in de jeugdreeksen twee keer per week één uur. De eerste sessie spitste ik toe op techniek en fysiek, bij de tweede lag de nadruk op stilstaande fases. Coaching op positie is daarbij de belangrijkste factor. Een doelman moet bij een hoekschop of voorzet steeds de achterste zone van zijn doel afdekken, zodat hij de situatie kan beoordelen en eventueel vooruit kan lopen. Het voetenwerk is cruciaal. Een doelman die een hoge bal moet plukken boven zijn hoofd gooit zijn verste been altijd over het andere. Zo komen de ellebogen automatisch mee in positie. Dat is nodig om je evenwicht te bewaren bij de sprong.” 

Christian Wijnrocx

 

Argentijnse trap

Eddy Raymaekers: “Ik volg Simon al van bij de UEFA’s. Toen hij zestien was, zocht de A-ploeg een derde doelman na Bart Deelkens en Frank Boeckx. Er werd sterk getwijfeld om Simon die kans te geven, maar toen heb ik mijn nek uitgestoken, hoewel er nog veel werk was om Simon te ontwikkelen. Vooral op zijn traptechniek heeft hij enorm gezwoegd. Duizenden en duizenden keren heb ik hem vanop de kleine backlijn een dropbal in doel laten trappen,  van recht voor doel tot in de hoeken. Als een keeper uittrapt, moet hij zijn voet bij de baltoets volledig strekken. Dat kan je makkelijker aanleren met een dropbal dan via een uittrap vanop de grond, vandaar. Het heeft zeker vier maanden geduurd vooraleer hij dat onder de knie had, terwijl de meeste doelmannen dat na een maand al kunnen.

De volgende stap bestond erin dat we de bal lichtjes verhoogd op het gras legden aan het zestienmetergebied, zodat hij zijn voet er nog onder kon plaatsen. Bij het uittrappen is het belangrijk dat je kijkt naar waar je de bal gaat trappen en dat je ook met het lichaam in die richting ingedraaid staat. Het duurde allemaal lang voor Simon het kon, maar hij wilde het wel absoluut onder de knie krijgen. Die instelling heeft hem ver gebracht. Als er tijdens de trainingen met de A-kern een wedstrijd werd gespeeld, moest hij als derde keeper achter het doel ballen tegen het grote net trappen om zijn techniek te verbeteren. In dat kader was ook het ‘Argentijnse’ uittrappen een belangrijke volgende stap. Bij een gewone uittrap laat je de bal vallen. Bij de Argentijnse neem je hem schuin en hoger, een volley vanuit de hand als het ware. Je moet dus met je lichaam een beetje gaan hangen. Die ballen gaan strakker en dus verder dan de gewone uittrap. Het heeft hem veel trainingsarbeid gekost, maar in twee jaar tijd was de progressie aanzienlijk.”

 

Eddy Raeymaekers en Rudy Vanrusselt.

 

Saves en voetenwerk

“Voorts hebben we veel aandacht besteed aan het uitvallen: bij een save platgaan in een golvende beweging, zodat je nadien sneller weer rechtkomt. Te veel jeugdkeepers gaan als een blok naar de grond, waardoor een snelle vervolgactie nauwelijks nog mogelijk is. Je moet goed op je zijkant neergaan en vervolgens vlot rechtveren. Daarbij fungeert je onderste elleboog als medesteunpunt en gebruik je de kracht in je onderste been om soepel overeind te komen. De kracht moet ook uit de lenden komen. Goede buikspieren zijn dus een must voor een doelman. Bij het klemmen van de bal moet je met je bovenste hand al lichtjes over de bal gaan, zodat je hem daarna meteen weer kan uitgooien.”

 

(Photo News, Simon Mignolet)

Eddy Raymaekers: “Bij het klemmen van de bal moet je met je bovenste hand al lichtjes over de bal gaan, zodat je hem daarna meteen weer kan uitgooien.”

 

“Ook het voetenwerk was een groot probleem voor de zestienjarige Simon. Met ruim 1m90 had hij een geweldig lichaam, maar dat was hij niet meester. We trainden dan ook heel hard op zijn snelheid en coördinatie. Snelle voeten maken het verschil op topniveau. Aan een traag tempo kan iedereen ballen uit de winkelhaak halen, maar op topniveau zie je ze amper vliegen, dus als je voeten niet goed staan, mag je het vergeten. Hier zijn de gekende trainingsvormen met skippings een bruikbare tool. [OEFENVORM 5] Vaak liet ik Simon ook in een vierkant van 70 op 70 centimeter staan, om hem daar telkens naar een willekeurige kant te laten springen en hem vervolgens een sprint en een save te laten doen. Dat doen we altijd in reeksen van zes, maximaal acht. [OEFENVORM 6] Hierbij wordt ook de sprongkracht getraind, die we ook nog via een andere oefenvorm hebben ontwikkeld.” [OEFENVORM 7]

“Om zijn snelheid aan te scherpen, moest Simon plat op zijn buik gaan liggen, in één beweging rechtveren en vervolgens links of rechts een save uitvoeren. Dat rechtveren doet iedereen anders. Als trainer liet ik hem vooral naar de andere keepers kijken, zodat hij kon stelen met de ogen. Hoe meer je traint, hoe sneller het gaat. Fitness is hierbij belangrijk, want hoe meer spieren je hebt, hoe meer kracht je kan zetten om recht te komen en te springen.”

 

 

Oefenvorm 5: trainen van het voetenwerk.

 

 

 

Oefenvorm 6: trainen van explosiviteit.

 

 

 

Oefenvorm 7: trainen van de sprongkracht.

 

Conclusie

Eddy Raymaekers: “Ik denk dat Simon nu, op zijn zesentwintigste, Europese top is. Alle onderdelen in het keepen zijn bij hem van een uitzonderlijk hoog niveau. 1:1 is hij, denk ik, de allerbeste. Daar was hij vroeger al sterk in, en dat is alleen maar beter geworden. Dat train je gewoon door als trainer vanuit alle hoeken met de bal op hem af te lopen. Als doelman moet je uitkomen en de tegenstrever proberen dwingen om naar jouw beste kant te dribbelen of te schieten. Je moet je tegenstander doen geloven dat je een bepaalde kant zal opgaan, en eens de tegenstander de beweging naar de open ruimte heeft ingezet, moet jij daar als doelman ook zijn. Het gaat er altijd om dat je de speler voor je doet twijfelen. Tijdens een normale veldtraining kan je daar een pass- en trapvorm van maken waarbij de veldspelers 2:1 komen met de doelman. Cruciaal is dat je je lichaam compact houdt, dat je zo laag mogelijk bij de grond blijft en dat je handen zoveel mogelijk ruimte naast je lichaam innemen.”

“Waar Simon wel nog enkele procenten winst kan boeken, is op het vlak van snelheid en coördinatie. Als hij dat niet voldoende onderhoudt, neemt zijn niveau af. Maar ik ben er zeker van dat zowel hijzelf als Liverpool daar dagelijks werk van maken.”

 

(Photo News, Simon Mignolet)

Eddy Raymaekers: “Ik denk dat Simon nu, op zijn zesentwintigste, Europese top is. Alle onderdelen in het keepen zijn bij hem van een uitzonderlijk hoog niveau.”

 

Om de bijhorende reacties te bekijken heb je een account nodig.

Registreer of log in als je reeds een account hebt.